De Baars Biologie

De Baars Biologie



Korte beschrijving:



Wetenschappelijke naam: Perca fluviatilis

Engelse naam: Perch

Lengte: tot ca 50 cm.

De baars heeft 2 gescheiden rugvinnen, waarvan de voorste uitsluitend harde stekels heeft;

Op de achterzijde van de voorste rugvin bevindt zich een zwarte vlek;

Over het lichaam lopen een aantal verticale, donkere banden;

Komt in niet te troebele wateren algemeen voor;

Voedsel: eet allerlei dierlijk voedsel, maar boven een lengte van ca 15 cm vooral vis.







Herkenning:

De baars zal men niet gauw verwarren met een andere vissoort. Heel vaak herkent men de baars aan de zwarte, verticale strepen over het lichaam. Zeer kenmerkend is ook de inktzwarte vlek, die vrijwel altijd zichtbaar is op de achterzijde van de voorste rugvin. Deze rugvin draagt een aantal stekels; een kenmerk dat we aantreffen bij alle vissoorten uit de Baarzenfamilie. In de volksmond wordt de baars daarom vaak 'stekelbaars' genoemd. Toch is dat een foutieve benaming, omdat de echte stekelbaarzen niet behoren tot de familie van de baars! Opvallend bij de baars is de huid die aanvoelt als schuurpapier. De kleuren van de baars kunnen van het ene water tot het andere water aanzienlijk variëren. Naast bronsgroen gekleurde exemplaren, met diep oranje-rood aangezette vinnen, komen ook meer bleke en donkere exemplaren voor.



Leefgebied:

In ons land vinden we de baars in tal van wateren. Hij voelt zich vooral thuis in groot water, maar ook in polderwateren is vaak baars te vinden. Heldere meren en langzaam stromende rivieren vormen zijn favoriete leefgebied. Helemaal goed gedijt de baars in wateren die iets van een meer en iets van een rivier hebben. Mooie voorbeelden daarvan zijn het Haringvliet en het Lauwersmeer. Tussen jongere en oudere baars bestaan vaak verschillen in woongebied. Zo bewoont jonge baars veelal de ondiepere watergedeelten. Oudere, grote baars treffen we meer aan op het open water. Daar vinden we ze vaak in de diepere waterlagen.



Voortplanting en ontwikkeling:

Als in april of mei het voorjaarszonnetje de watertemperatuur tot 10 à 140C laat stijgen, breekt de paaitijd aan. Vooral ondergelopen oevergedeelten zijn als paaiplaats in trek. De eieren worden in karakteristieke, harmonikavormige strengen afgezet. Soms hebben die een lengte van wel 3,5 meter!

Na de bevruchting zweven de eistrengen in het water, totdat zij zich vasthechten aan waterplanten, in het water geraakte boomtakken of andere obstakels. Opvallend is dat de meeste vissen de eieren van de baars niet graag eten. De pasgeboren larfjes zijn circa 5 mm lang en voeden zich de eerste dagen met voedsel uit de dooierzak. Als dit voedsel op is, vullen de larven hun zwemblaas. Dan gaan ze actief op jacht naar heel klein plankton. Vanaf hun geboorte leven de larven in scholen. Meestal houdt zo'n school zich op in de bovenste waterlagen. Opmerkelijk is dat baarsscholen zich vaak vermengen met blankvoornscholen.

Door schoolvorming zijn de baarsjes meer beschermd tegen vijanden zoals de snoek, de snoekbaars en niet te vergeten de oudere baars. Schoolvorming vergroot ook de kans om geschikt voedsel te vinden.

Het baarsbroed dat de eerste zomer overleeft, heeft in het najaar een lengte van 8 a 10 cm. Twee à drie jaar later kunnen deze baarsjes zelf aan de voortplanting deelnemen. Vanaf dat moment zijn zij volwassen.



Eendracht maakt macht.

'De baars is een gezellige visch'. Met deze woorden karakteriseerde de visserijbioloog professor H. Schlegel het gedrag van de baars in 1870 in zijn boek 'De Visschen'. Enerzijds doelde hij daarmee op het levendige, actieve gedrag van de baars. Anderzijds duidt de uitdrukking op het samenleven van baarzen in scholen. Meestal bestaan die baarsscholen uit exemplaren van dezelfde afmeting. Zo'n school vormt zich iedere dag opnieuw in de ochtendschemering. Op grote wateren neemt een baarsschool elke dag een 'retourtje open water'. Nadat de school zich 's ochtends heeft gevormd, trekt deze - al jagend op prooi - vanuit de oeverzone naar het open water. In de avond keert de school weer terug naar de oever, waarna het schoolverband zich oplost. Hoewel de school ook overdag op prooi jaagt, ligt in de zomer de grootste activiteit tijdens de schemerige perioden.

Door het vormen van scholen, vergroot de baars onder meer de kans op succes bij het zoeken en vangen van prooidieren. Een baarsschool omsingelt de prooivis en valt deze vervolgens aan. Een baars tracht een prooivis bij de kop te pakken. Jaagt een baars in zijn eentje, dan moet hij tijdens de aanval meestal een omslachtige draai maken. Hierdoor kan de prooivis gemakkelijk ontsnappen. Maar bij de baars die in scholen jaagt zijn er altijd wel een paar baarzen die de prooivis met de kop recht naar voren kunnen grijpen. Zo krijgt iedere baars in de school op den duur zijn voedsel te pakken.

Het toeslaan van baars op een prooi, wordt bepaald door het 'voelen' en 'zien' van die prooi. Naast een goed gezichtsvermogen, speelt daarom ook het zijlijnsysteem een belangrijke rol bij het voedsel zoeken.

In onderzoeken bleken baarzen vooral sterk te reageren op bewegende voorwerpen, mits deze niet sneller bewogen dan een halve meter per seconde. Helemaal attractief waren voorwerpen die een zgn. 'zaagtandbeweging' maakten.



Voedsel:

Nadat de baars zich aanvankelijk voedt met plankton, komen daar later insectenlarven zoals muggenlarven bij. Ook kreeftachtigen zoals vlokreeften, aasgarnaaltjes en waterpissebedden staan op het menu van de jonge baars. Op latere leeftijd is de baars in staat om vis te gaan eten. Het tijdstip waarop dit gebeurt, staat niet van te voren vast. Soms voedt de baars zich al met vis bij een lengte van 6 cm. Maar vis is geen noodzaak: baars kan groot worden door uitsluitend insectenlarven en vlokreeften te eten! Baars pakt vooral kleine prooivis. Baarzen boven de 25 cm eten prooivissen met een lengte die maximaal een vierde van de eigen lichaamslengte bedraagt. In de keuze van de soort prooivis is de baars evenals andere roofvissen weinig kieskeurig. Zo voedt de grotere baars zich op het IJsselmeer met de daar zeer talrijk voorkomende spiering en pos. In andere wateren worden met name blankvoorn, pos en kleine baars door de grotere baars gegeten.



Van supergroei tot zwarte baars.

In ons land kennen we een supergroei van de baars op bijvoorbeeld het IJsselmeer, het Lauwersmeer en het Haringvliet. De baarzen in deze wateren bereiken in 2 à 3 jaar ongeveer de wettelijke minimummaat van 22 cm!

De maximumlengte van de baars bedraagt circa 50 cm, maar de 40 cm wordt slechts hoogst zelden gepasseerd. Grote wateren met weinig plantengroei en een ruime hoeveelheid voedsel bieden goede groeimogelijkheden. Hoe verder het milieu van deze 'ideale' situatie afwijkt, hoe slechter het met de groei van de baars is gesteld. Zo zijn er in Nederland wateren, waar de baars niet groter wordt dan zo'n 10 a' 13cm Men spreekt dan van 'zwarte baars' (zo genoemd vanwege het donkere uiterlijk) en 'gedegenereerde baars'. In een aantal onderzoeken heeft men die 'zwarte baars' eens wat nader bekeken. Uit leeftijdsonderzoek kwam verrassend naar voren dat deze baarsjes in hun eerste twee levensjaren een redelijke tot goede groei vertoonden. De groei bleek echter te stagneren op het moment dat de baarzen - bij een gebrek aan insectenlarven en kreeftachtigen - over moesten stappen op prooivis als voedsel. Soms was er dan niet voldoende prooivis aanwezig. Maar zelfs als er wel voldoende prooivis beschikbaar was, nam men waar dat de baars nauwelijks meer groeide. Die remming in de groei trad vooral op in wateren met een dichte visstand en die sterk begroeid waren met ondergedoken planten zoals waterpest. Klaarblijkelijk lukt het de in scholen jagende baars niet om de prooivis tussen de waterplanten te pakken te krijgen!

Ook baarzen die klein blijven, worden na 3 tot 4 jaar geslachtsrijp en planten zich voort. Doordat de baarsjes zich ieder jaar voortplanten, kan in de loop van enkele jaren een bestand aan 'zwarte baars' ontstaan. Wil men in een 'zwarte-baarswater' de baars aan het groeien krijgen, dan kunnen enkele beheersmaatregelen worden overwogen. Zo kan het uitdunnen van de aanwezige baars- en witvisstand, bijv. met behulp van beroepsvissers, een groeiverbetering tot gevolg hebben. Als er daarnaast sprake is van een overmatige groei van waterplanten, kan het aanbeveling verdienen een deel van de waterplanten te verwijderen. De baars krijgt daarmee de ruimte om in scholen de prooivis te bejagen. Bij het verwijderen van waterplanten dient de waterbeheerder wel rekening te houden met de vissoorten die voor hun voortbestaan zijn aangewezen op deze planten, zoals de snoek, de zeelt en de ruisvoorn. En alles voor het vangen van de baars bestel je voordelig online bij Fishinn.nl!



Met vriendelijke Roofvisgroeten, Frank van Vliet

Om de bijhorende reacties te bekijken heb je een account nodig.

Registreer of log in als je reeds een account hebt.

Leden

21197

Foto's

92091

likes

244